De camper.

Roestig staat de camper geparkeerd. In een hoekje van de camping. Vlakbij de toiletten. Iedere campinggast komt er een paar keer per dag langs, om de dingen te doen die een mens moet doen bij de toiletgebouwen.
En om af te wassen natuurlijk.
Het is een oude volkswagenbus. Gespoten in een kleur blauw die de fabriek er in ieder geval niet op heeft aangebracht. De camper heeft veel kilometers achter de rug, het trapje waarmee je via de achterkant op het dak kan klimmen is, na een foute manoeuvre in het verleden, ingedeukt. De plaatsen waar de lak is opengebarsten zijn nooit meer behandeld, de roest neemt zijn kans waar en verweert het metaal.
Aan de linkerzijde is er ooit iets dergelijks gebeurd, ook hier strekt een lange bruine streep zich uit over de carrosserie.
De voorbanden zijn op een rare manier afgesleten, de buitenkant van het loopvlak is bijna helemaal glad, de binnenkant vertoont nog een redelijk profiel. Ofwel de uitlijning is niet goed, of er is meer aan de hand.
De raampjes van de camper zijn van, door vele krassen mat geworden, pexiglas, het grootste raam is gebarsten. Toch kan je wel naar binnen kijken door het doffe plastic. Aan de binnenkant van de bus is het iets beter gesteld met de staat van onderhoud.
Een klein aanrecht met een kooktoestel aan de ene kant, een bank en een tafel aan de andere kant.
De bank is bekleed met grijs kunstleer, tenminste, vroeger was het grijs, Nu is het versleten, de structuur van kleine draadjes in een patroon wat steeds kleine vierkantjes vormt schemert duidelijk door.
Nee, het is niet veel meer, die camper. Vergane glorie. Ooit het trotse bezit van een globetrotter, en nu afgedankt in een hoekje van de camping.
Een getypt blaadje papier hangt scheef opgeplakt voor een klein achterruitje.
De camper is te koop. Voor vijfenhalfduizend Mark.
Er moet enig herstelwerk aan de carrosserie plaatsvinden, staat er bij vermeld. En een telefoonnummer.
Veel geld voor een wrak. Maar ja, misschien zijn alle campers zo duur.
Ik kijk nog eens naar de kilometerteller. Deze heeft vijf cijfers in een rijtje, het is niet te zeggen hoeveel honderdduizenden kilometers wegdek de camper al achter zich heeft gelaten. Voor het juiste honderdduizendtal zal men zich tot de eigenaar moeten wenden.
Het stuur is zwart. En dun. Van dat zwart waar vroeger ook de telefoons van gemaakt werden. "Bakkeliet," schiet mij binnen. Maar van dat spul zal het stuur niet gemaakt zijn, al lijkt het er wel op.

 

Een camper spreekt tot de verbeelding, appelleert aan het kleine stukje Zigeuner wat in ieder mens leeft. Met zo'n huisje op wielen ben je vrij. Je kan overal naar toe. Als je vakantie hebt tenminste.
Je stapt in met alles wat je nodig hebt aan kleren, eten en drinken, start de motor en de wereld ligt voor de motorkap. Het eerste stuk wat je rijdt is dicht bij huis, dat is bekend, daar rijd je wel vaker.
Maar al na een half uur rijden kan je een weg kiezen waar je nog nooit geweest bent, een weg met bochten die je niet kent. Waar huizen staan die je nog nooit eerder zag. En verder stuur je de camper over de wegen. Je kan net zolang rijden als je wilt. Een uur. Een dag. Het is om het even. Er is overal wel een plekje te vinden waar de camper een tijd kan staan. Even geniet je van de rust als de motor stilvalt, dan rek je je eens uit en verdwijnt naar achteren, naar het keukentje. Daar kan je koffie zetten, of een eitje bakken. En na het consumeren komt het rusten.
Even op de bank liggen voor een dutje. Of juist een wandelingetje maken om de benen te strekken. Er is geen verplichte volgorde, er is enkel vrijheid.
Voor dat de reis weer verder gaat loop je eerst een rondje om de camper. Klopt alles ? Zijn de banden goed op spanning ? Hangt er niets los ?
Verder. Over de slingerende wegen. Of juist over de rechte snelwegen, om op te schieten als er een doel is wat nagestreefd dient te worden.
Af en toe heeft de camper dorst. Vele liters diesel verdwijnen in de holle tank, ergens in het binnenste van het gemotoriseerde huisje. Betalen is zo makkelijk tegenwoordig. Met een kaartje en een code die niemand weet. Er komt geen muntstuk bij te pas, het is net of het gratis is. De afrekeningen komen pas na de vakantie. Die verstoren de illusie nu niet.
En het wordt warmer. Dag na dag. Het besturen vind nu plaats in een korte broek en een luchtig shirt.
De zon brandt door de grote voorruit naar binnen, alles stijgt in temperatuur. Tijdens een pauze kijk je op de kaart. Het is niet ver rijden naar het kleine blauwe vlekje op de kaart. Een klein, wit getekend weggetje slingert zich er naar toe.
Eerst naar het dorp waar het weggetje begint. Parkeren op de markt, bij de dorpspomp. De watervoorraad aanvullen. En even naar de supermarkt, boodschappen halen voor een week, wat wijn, groenten, blikvoer en een krantje. Het witte weggetje van de kaart is al snel gevonden. Het is verhard, en net zo breed als de camper. Alsof het zo is afgesproken.
De motor bromt de camper in een rustig gangetje naar boven, weilanden links, weilanden rechts. Een bosje in de verte. Geen huizen. Geen boerderijen.
Een verlaten stal met een ingezakt dak.
Na nog een paar bochten is de weg over zijn hoogste punt heen en daalt naar het meertje. Net zo blauw als op de kaart. Je stopt op de stille weg om het uitzicht in je op te nemen.
Niemandsland. Een meertje waar geen camping is. Met rust gelaten door de toeristenindustrie.
Kennelijk vonden de wegenbouwers het, in een ver verleden, niet meer nodig om nog een vrachtwagen met asfalt te laten komen, opeens begint de camper te hobbelen over de keien. Terugschakelen. Een beetje remmen en de snelheid aanpassen aan de omstandigheden. Het meertje is niet ver meer.
Stilte zover als het oor reikt als de motor niet meer bromt. Als de camper aan de waterkant staat, de klapstoelen om de tafel, half onder de bomen, is het net een foto uit een folder. Zo mooi.
Het water is koud, het meertje is diep. Geen strandje. Als je wilt zwemmen moet je tussen het riet door kruipen.
In het riet leeft van alles. In de lucht zijn het de muggen. Zodra het riet wuift door de bewegingen van een mens treedt er een communicatiesysteem in werking waar de mens slechts met ontzag kennis van kan nemen; binnen een paar seconden zijn de troepen gemobiliseerd en storten hongerige kleine naaldjes zich op hun maaltijd.
Haast is dus geboden, wil je je niet laten opvreten door de muggen. Aan de waterkant drijft een zompige massa, waterplanten met onduidelijke vormen.
Aangespoord door de tientallen muggen die zich in je vel boren spring je haastig in het water. De overwinning op de muggen is een feit. Tot je het water weer uitmoet tenminste. Met lange slagen, om weer warm te worden, scheer je door het koude water.
Er glijdt iets langs je buik. Glad en glibberig. Een waterplant. Hoop je.
Maar het zou ook een waterslang kunnen zijn. Het barst hier waarschijnlijk van de waterslangen.
Zijn waterslangen giftig ? Je weet het niet. Wat eten waterslangen eigenlijk ? Ratten ?
Ratten die in het riet wonen waar je net doorheen ploeterde, zwaaiend naar de muggen en te druk om te kijken waar je je voeten neerzette.
Weer glijdt er iets langs je lijf. Langs je linkerarm. Een plant, of in ieder geval iets plantaardigs. Wild sla je met je armen om je heen als je een rondje draait om te zien waar het riet het dunste is. Daar, links van de camper, een tiental meters maar. Met spetters en ingehouden buik zwem je door het water. Slangen houden niet van lawaai en drukte.
Haaien wel. Maar dit is zoet water. Daar zwemmen geen haaien.
Wel snoeken... Voordat je tijd hebt om aan de bijtwonden te denken die snoeken achterlaten op eenzame zwemmers in stille meertjes bereik je de kant. Je sprint door het riet, zo snel dat de muggen geen tijd hebben om je in te halen.
In de beschutting van de camper droog je je af. Tijd om wat lekkers te koken.
Na het eten lees je rustig de lokale krant. In een vette kop boven de foto van een halfuitgebrande camper wordt de aandacht gevraagd voor een artikel op bladzijde drie, de brute moord op twee personen, die rustig sliepen in hun camper op een rustige parkeerplaats.
Je gooit alle stoelen en tafels haastig naar binnen, start de motor en rijdt door het schemerdonker naar het dorpje. Er was ook een hotel op de markt bij de pomp.

Dan ben je opeens weer terug op de camping. Je merkt dat je even wegdroomde bij de versleten bak roest die te koop staat voor veel te veel geld. Als je onder de camper kijkt zie je een klein plasje olie liggen. Ook de onderkant is dus niet in orde.
Nee, dat ding is geen verstandige investering.
En toch werp je er iedere keer een blik op als je langs loopt, ga je iedere keer weer heel even op reis als je de blauwe volkswagenbus ziet staan.
De camper heeft veel bekijks. Bijna voortdurend kijken mensen naar binnen, strijken langs de roestplekken, of duwen met een sleutel op het bruine metaal, om te testen of het al doorgeroest is.
Niemand kijkt naar het telefoonnummer. Niemand schrijft het op.
Maar aan de blik in de ogen van al die mensen kan je zien dat ze even op reis gaan, de Zigeuner in zich even laten bovenkomen, als ze zogenaamd onverschillig naar de camper kijken.
Een camper. Een eigen camper. En dan op reis.
Heerlijk toch ?