De nieuwe jongen op school

De nieuwe jongen op school

Carlo is een beetje raar. Een beetje vreemd.
En zijn vader en moeder ook.
Carlo’s moeder heeft groene ogen en een beetje een haakneus. En ze heeft altijd van die wijde kleren aan, allemaal lagen over elkaar, ze maakt ze zelf.
Carlo’s vader heeft hele lange haren. Hij rijdt op een oude motor, een hele oude motor die met veel kabaal over de weg rijdt. En op zijn hoofd heeft hij een rare helm, pikzwart.
Carlo en zijn ouders wonen in een klein huisje, een beetje buiten het dorp. Het is daar een enorme rotzooi, er ligt van alles op elkaar in de tuin, in de hoek staat een oude auto te roesten, tussen het onkruid. En verder allemaal kisten en stukken hout, je kan het zo gek niet bedenken of het staat er wel.
Hun huis heeft heel lang leeg gestaan, de kinderen uit het dorp gingen er vroeger wel eens spelen, ruiten stuk gooien, of gewoon door het huis lopen. Dat was reuze spannend.

Op een dag woonden ze er opeens, een jongen met zijn vader en moeder. Waar ze vandaan kwamen wist niemand. En niemand durfde het te vragen.
Na een paar dagen kwam Carlo op school. Hij werd gebracht door zijn vader, op de motor. Alle kinderen op het schoolplein werden stil toen de motor met een daverende knal stopte, vlak voor het hek.

Er stapte een jongen af en hij liep alleen het plein op.
De kinderen moesten een beetje om hem lachen, hij had zelfgemaakte kleren aan, en hij zag er maar raar uit.
De meester liep naar hem toe en nam hem mee.
Later werd hij voorgesteld, “jongens en meisjes, dit is Carlo, hij komt bij ons op school “, had de meester gezegd.

Carlo deed maar verlegen, hij keek steeds naar de punten van zijn schoenen. Hij wist ook niet zo veel als de meester iets aan hem vroeg, soms mompelde hij een vaag antwoord, of hij zei helemaal niets.
Toen de school was afgelopen werd hij opgehaald door zijn moeder.
De kinderen stootten elkaar aan, wezen stiekem en fluisterden zacht.
Wie er mee is begonnen weet niemand, maar opeens fluisterde iedereen het tegen elkaar, “Carlo’s moeder is een heks ! Kijk maar” !

En alle kinderen keken. En alle kinderen zagen de groene ogen, de fladder-rok, de rare haakneus.
Het duurde dan ook niet lang of de verhalen kwamen.
De ene had gezien dat Carlo’s moeder met een grote pot in de tuin stond te koken, toverdrank, dat kon je van ver al ruiken.
En een ander had ‘s avonds gezien hoe ze met de bezem door de lucht vloog. En de zwarte kat dan die je vaak zag rondsluipen bij het huis ?
Zo kwam het dat Carlo altijd alleen over het plein liep. Hij keek een beetje droevig. Als hij naar de anderen toe ging om te spelen dan liepen ze gauw weg, zacht griezelend en fluisterend.

Vooral de tweeling had altijd wel iets gezien of gehoord. Ze woonden er ook het dichtste bij. Peter en Jan konden het huis van Carlo zien als ze uit het raam van hun kamer keken.
Bijna ieder dag wisten ze wel weer iets te vertellen. Zo hadden ze laatst gezien hoe Carlo op het dak had gelopen, midden in de nacht! Dat was toch gevaarlijk ?!
Die Carlo. Een heksenkind. Als hij je te lang aankijkt dan verander je in een kikker. Pas maar op !

Peter en Jan waren op de fiets naar het bos geweest. Het was al bijna kerstvakantie. De tweeling had in het bos gezocht naar een paar mooie dennentakken om straks de kamer mee te versieren, en ook nog naar een paar hulst-takken. Ze waren een beetje te ver het bos in gegaan, het werd al een aardig donker. Maar nu hadden ze wel genoeg takken, in een tas achterop de fiets.
Mam had gezegd, ” voor donker thuis jongens, denk erom “! En ze hadden het braaf beloofd.
De enige weg naar het bos loopt vlak langs het huis van Carlo, ze waren er heel hard langs gefietst op de heenweg, met een rood hoofd van inspanning. Ze wisten het niet zeker, maar ze dachten allebei dat ze Carlo hadden zien staan, achter de hoge heg.

Het donker komt snel. Peter en Jan doen hun fietslampen aan en hobbelen zo verder over de zandweg. In de verte blinken de lampjes van het dorp, maar eerst moeten ze langs het heksenhuis. Want zo noemen ze het.

Zo hard als ze kunnen scheuren ze langs de hoge heg. Stel je voor dat die heks komt en ze wil vangen !!
Peter kijkt huiverend om. Hij voelt dat er iemand naar hem kijkt.
Zijn fiets begint te slingeren, Peter wil zijn voeten op de grond zetten maar zijn enkel komt knel te zitten tussen de trapper en de weg, voor hij het weet slaat hij met een klap tegen de grond.
Hij blijft stil liggen. Jan rijdt vlak achter hem en kan nog net om hem heen rijden voor hij stopt. “Peter, sta op”, fluistert Jan zacht. Hij is doodsbenauwd. Peter huilt zacht. “Ik kan niet opstaan. Mijn been. Mijn been doet zo’n pijn “.
Jan stapt van zijn fiets en probeert om Peter op te tillen. Ze moeten weg hier ! Het is hier gevaarlijk !
Peter gilt het uit als Jan hem probeert op te tillen. Van schrik laat Jan hem los, Peter valt op de grond en brult nu nog veel harder.
Radeloos kijkt Jan om zich heen. Wat moet hij doen ? Hij kan Peter niet alleen op de weg laten liggen. Maar ze moeten weg voordat die heks ze heeft gehoord !! Straks worden ze nog in een pan gestopt!

Opeens schijnt er een licht in de tuin, en een paar tellen later schijnt het op de weg. Een zaklantaarn. Carlo’s vader stapt de weg op. Peter en Jan zijn verstijfd van angst. Nu komen ze hier nooit meer weg…
Carlo’s vader ziet al snel wat er gebeurd is. Hij tilt Peter op en wenkt Jan met zijn hoofd. “Kom maar mee naar binnen, dan kijken we even wat er aan de hand is”.
Jan gooit haastig de twee fietsen in de berm van de weg en gaat dan achter zijn broer aan. Naar binnen. Naar het huis van de heks !

Met een kloppend hart komt Jan de kamer binnen. Peter ligt al op de bank. Hij huilt zachtjes van de pijn. Carlo’s moeder knipt een stukje van zijn broek open, ze bekijkt de dikke enkel. “Probeer eens of je hem kan bewegen”, vraagt ze. Peter krimpt in elkaar van de pijn als hij zijn voet beweegt.
“Mooi, die is in ieder geval niet gebroken “. Ze is nog even bezig, maar tien minuten later is de hele enkel netjes ingepakt in een mooi wit verband. Dan gaat ze naar de keuken en komt terug met een lepel waar iets op ligt.
“Eet dit maar op “, zegt ze. Peter en Jan kijken elkaar vlug aan.
“Het is gewoon een aspirientje met wat water, tegen de pijn, niets bijzonders hoor “, lacht ze tegen Peter.

“Mijn moeder is verpleegster geweest”, zegt Carlo een beetje trots. Hij stond de hele tijd al bij de tafel, maar Peter en Jan zien hem nu pas.
Carlo’s vader komt aanlopen uit de keuken met een blad vol koppen warme chocolade melk. En een stroopwafel, voor de schrik.

“Jullie zitten toch bij Carlo in de klas ” ? vraagt Carlo’s moeder. Ze is een een grote stoel gaan zitten, een schommelstoel. Hij hangt met een ketting aan een balk van het plafond, midden in de kamer. Verlegen knikken de jongens. Ze durven niet zo veel te zeggen. Ze schamen zich een beetje. Carlo’s moeder is heel vriendelijk, en ze heeft helemaal geen groene ogen, ze zijn gewoon heel donkerblauw. Carlo’s vader is ook heel aardig, hij vraagt of ze nog meer chocolademelk lusten. De tweeling knikt. Lekker.
Er staat een kerstboom in de hoek bij het raam en er branden overal kaarsjes. Zacht klinkt er muziek. Kerstmuziek. Het is best gezellig in de kamer
Op de tafel, waar Carlo net stond, staat een vliegtuigje. Daar was Carlo mee bezig, toen ze de kamer in kwamen. Jan ziet het vliegtuig het eerste.
“Kan dat echt vliegen “? vraagt hij. Carlo knikt en het duurt niet lang voordat hij aan het uitleggen is. Het is een vliegtuig met een afstandsbediening. “Radiografisch”, vertelt Carlo.
“Kan jij daarmee vliegen dan “? vraagt Jan ongelovig. Carlo knikt weer.
“Ja hoor, van mijn vader geleerd”. Carlo laat de afstandsbediening zien, als hij aan de hendeltjes zit gaan de stuurvlakken van de vleugels op en neer. Met open monden luisteren en kijken ze naar Carlo. Wat weet hij veel van zo’n vliegtuig !
“Als het mooi weer is mogen jullie het ook wel eens proberen hoor “, belooft Carlo.

“Zeg, jullie ouders zijn vast doodongerust”. Carlo’s moeder schrikt op. “Wat is jullie telefoonnummer, dan zal ik even bellen”. Ze vliegt weg, naar de telefoon.
En zo worden Peter en Jan even later opgehaald door hun opgeluchte ouders. Ze bedanken Carlo’s ouders voor de hulp na het ongeluk van Peter. Dan gaan ze weg.

Peter wordt gedragen, en Jan loopt naar de auto. Carlo loopt een beetje stilletjes mee naar de auto.
“Kom je een keer bij ons spelen in de kerstvakantie “? vraagt Jan door het raampje, “dan mag je onze trein zien “.
Carlo knikt opgewekt. “Ja, leuk, dat doe ik “.
“Goed dan. Tot ziens “. De tweeling zwaait naar Carlo als de auto, met de fietsen achterin, het pad af rijdt, naar huis. En Carlo zwaait terug.
“We worden vast vriendjes “, zegt Jan. En Peter knikt. “Ja, vast”, zegt hij.

1 Ster2 Sterren3 Sterren4 Sterren5 Sterren (Geef je mening, klik op een ster)
Loading...

2 reacties op De nieuwe jongen op school

  • Ik wil het verhaal DE NIEUWE JONGEN OP SCHOOL gebruiken voor het kerstnummer van ons verenigingsblad “de bloemlezing” van ATV Eigenarbeid.
    Heb ik goed begrepen dat dat kan? Zal de bron vermelden.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Zoeken
Beoordelingen
Gesponsorde links
Recente reacties
Meer gesponsorde links