Pech in de sneeuw

Pech in de sneeuw

Het sneeuwt. Het sneeuwt al een tijd. Het sneeuwde al toen Jan en Elly van huis gingen, er lag al best veel sneeuw. Misschien wel te veel om veilig te rijden, maar ja, het is Kerstavond en ze hadden al zo lang geleden afgesproken dat ze dit jaar Kerst zouden vieren bij de ouders van Elly.
Elly is opgegroeid op een boerderij. Die boerderij ligt eenzaam aan het einde van een smalle weg, het is de enige weg naar de boerderij toe. Heel vroeger was de weg niet eens verhard, maar nu slingert een dun streepje asfalt tussen de weilanden en de bomen door. Niet dat je de weg nu kan zien, het is één witte vlakte.

De sneeuw valt in dichte vlokken, wit. Het kleine stukje wereld wat ze nog kunnen zien tussen de ruitenwissers door is al net zo wit. Het licht van de koplampen komt niet ver. Stapvoets rijdt de auto door de sneeuw, de weg is al lang niet meer te zien. Gelukkig staan er bomen langs de weg en zo weet Jan waar hij moet rijden. En Elly kent de weg natuurlijk goed, vroeger fietste ze elke dag langs deze weg, ze zit bijna met haar neus tegen het raam en geeft Jan steeds aanwijzingen. ‘Links, iets naar rechts, straks komt het bruggetje. ‘

Op de snelweg viel het wel mee met de sneeuw, daar werd gestrooid en daar staan lantaarnpalen. En daar sneeuwde het ook nog niet zo hard. Daar leek het wel mee te vallen. En toen ze net van de snelweg af waren ging het ook goed. Elly had wel even gebeld om te vertellen dat ze iets later zouden komen, het schoot niet zo op. Maar toen ze het laatste dorp achter zich lieten om de smalle weg naar Elly’s ouderlijk huis in te rijden, toen werd het al snel erger.
De weg is zo smal dat je er niet kan draaien, zeker niet met al die sneeuw. Af en toe is de weg wel iets breder, zodat je een tegenligger kan passeren, maar eigenlijk is dat niet nodig. Het is de enige weg , er rijdt nooit iemand en de weg stopt bij de boerderij. Daar, op het erf kan je makkelijk draaien.
‘Het schiet niet op, ’moppert Jan zenuwachtig, ‘als het zo doorgaat dan vieren we Kerst in de auto,’ probeert hij luchtig te zeggen. Elly geeft hetzelfde gevoel. Dit is teveel sneeuw, dit is niet verstandig. Maar ze moeten door, ze kunnen niet meer terug. ‘Het komt wel goed,’ probeert Elly rustig te zeggen, maar de spanning klinkt door in haar stem. ‘Nog een kilometer of 5, dan zijn we er. Dan zitten we lekker bij de kachel en dan lachen we hier om.’
‘Ik vind het maar niets, ‘zegt Jan, ‘kan je je vader niet even bellen ? Met de tractor voor ons uit zou ik me een stuk veiliger voelen. ‘ Weer slippen de wielen van de auto even weg als Jan voorzichtig een bocht instuurt. Het is spekglad.

‘Gekkie,’zegt Elly, ‘dan moet hij eerst dat hele stuk achteruit naar ons toe komen zeker. En bellen heeft geen zin, er is geen mobiel bereik hier. Dat weet je toch ? Rustig doorrijden, we zijn er met een klein uurtje. Het is in ieder geval warm in de auto.’

Dan gilt Elly van schrik, de auto slipt en glijdt naar links. Met een bons komt de auto tot stolstand, gelukkig reden ze niet hard. Maar de auto staat wel behoorlijk scheef. Op het ijs van de stijf bevroren sloot…… Het is pikkedonker. Jan slaat met zijn hand op het dak van de auto, om zo de binnenverlichting aan te zetten, zijn vingers vinden het knopje, maar wat hij ook doet, het blijft donker. Zenuwachtig draait hij aan de sleutel in het contact. Er gebeurt niets. Helemaal niets.

Elly heeft intussen de zaklamp op haar telefoon aangezet, zo kunnen ze in ieder geval iets zien. Ze zitten scheef in hun stoelen. De veiligheidsriemen zijn strak gespannen.
‘Wat moeten we doen?!’vraagt Elly. ‘Ik, ik weet het niet,’ stottert Jan. ‘De auto maken? En dan de auto uit de sloot rijden, de weg op?? Maar hoe moet ik dat doen ? Ik weet niks van auto’s en ik weet ook niet hoe we weer op de weg komen. We moeten maar gaan lopen denk ik, zo ver is het niet, of misschien moeten we in de auto blijven, dat is beter heb ik wel eens gelezen, maar we hebben geen dekens bij ons en het is nu al koud en…’ Jan ratelt maar door, dat doet hij altijd als hij zenuwachtig is.

Elly legt haar hand op Jan zijn mond. ‘Je ratelt,’ zegt ze. Jan stopt met praten en hij knikt. Als Elly haar hand weghaalt blijft hij stil. ‘We moeten het hoofd koel houden,’ zegt Elly, ‘we moeten een plan maken. Het is nog zowat een uur lopen naar de boerderij. Maar in die sneeuwstorm is het niet slim om buiten te gaan lopen. ‘ Jan schudt instemmend met zijn hoofd. ‘ Maar in de auto is het koud, we hebben geen dekens en de motor doet het ook niet. ‘
‘We hebben wel onze kleren bij ons, laten we alles aantrekken wat we hebben. En dan dicht tegen elkaar aan zitten. Misschien komt mijn vader wel met de tractor, als het te lang duurt. Dan komt hij ons wel halen. We moeten maar even wachten.’
Zo gezegd, zo gedaan. Ze pakken de koffers en trekken sokken over elkaar aan, twee broeken, drie truien en dan gaan ze op de achterbank zitten, dicht tegen elkaar, scheef geleund tegen de deur aan. Eerst gaat dat wel goed, ze moeten wel giechelen als ze dik ingepakt naar elkaar kijken. ‘Zou het nog lang duren ?’ vraagt Jan zich af. ‘Vast niet,’ zegt Elly. Ze rilt van de kou. Jan rilt ook. Het wordt snel kouder in de auto.

‘We moeten niet in slaap vallen,’ zegt Elly, ‘want dan bevriezen we.’ ‘Klopt,’ zegt Jan. ‘Dat is gevaarlijk, dat moet niet gebeuren.’

10 minuten later slapen ze allebei. De kou maakte ze suffig en ze sliepen voor ze er erg in hadden. Het vriest in de auto, op Jan zijn wenkbrauwen ligt een witte aanslag. De sneeuw valt nog steeds met dikke vlokken, de autoramen zijn al dicht gesneeuwd. De adem uit de monden van Elly en Jan vervliegt in koude wolkjes.
Buiten wordt het snel kouder….

“HEE, HALLOO. “ Elly en Jan schrikken wakker als er op het raam van de auto wordt gebonsd. Het is licht buiten, bijna daglicht. Er klinkt een zwaar gebrom van een sterke automotor die stationair draait. Met wijde bewegingen maakt een man de autoramen schoon, hij veegt met zijn mouwen de sneeuw er af. Zo zien Elly en Jan een enorme auto staan, een halve vrachtwagen met enorme banden.
Over het dak van de cabine is een buis gespannen en op die buis staan wel 10 verstralers. Ze staan allemaal aan en als dat licht weerkaatst tegen de nog steeds vallende sneeuw.
De man is niet zo groot, hij heeft lange witte haren en een witte baard, die vroeger bruin is geweest, dat kan je nog wel zien. Hij heeft een lange donkere jas aan en in zijn vrolijke gezicht staan twee pretoogjes te glimmen.
Nu hij ziet dat Jan en Elly wakker zijn schreeuwt hij niet meer, hij gebaart dat ze uit de auto moeten komen. Het duurt even voordat Jan en Elly wakker zijn, en dan proberen ze uit de nog steeds scheef staande auto te klommen. Dat is niet makkelijk want ze zijn helemaal stijf van de kou. Maar het lukt.
Klappertandend staan ze naast de auto op de weg en lopen rondjes om weer een beetje wakker te worden, ze snappen eigenlijk niet zo goed wat er aan de hand is. De man heeft zijn enorme auto een stukje voorruit gereden zodat hij voor de scheve auto in de sloot staat, hij rommelt iets onder de auto met een kabel en klimt weer in zijn eigen auto. Met een donderend geraas rijdt de truck langzaam naar voren en trekt de auto van Jan en Elly de weg op.
Als de auto op de weg staat maakt de man de motorkap open en doet iets met de motor. Opeens start de motor en gaan de lichten van de auto aan.
Het gaat allemaal heel snel, Jan en Elly staan het klappertandend en stomverbaasd te bekijken.

‘Zo,‘ zegt de man met een vriendelijke glimlach,’ gaan jullie maar snel in de auto zitten, dan worden jullie weer warm, en dan gauw naar je ouders toe rijden Elly, het is geen weer om buiten te zijn.’
Met een zwaai van zijn arm neemt hij afscheid en met luid geknor van de motor rijdt hij weg, de sneeuwjacht in. Een paar seconden later is hij niet meer te zien of te horen.

Jan en Elly kruipen de auto in die al heerlijk warm is, ze rillen en klappertanden nog een tijdje door tot de kou uit hun lichaam verdwenen is.
‘Wie was dat? ‘ vraagt Jan terwijl hij Elly vragend aankijkt. Elly haalt haar schouders op. ‘Geen idee, ik ken die man niet. Misschien is hij een kennis van vroeger, van mijn ouders. Al is dat wel raar, met zo’n auto val je zeker wel op. ‘

Ze praten er nog even over door zonder tot een oplossing te komen en dan zijn ze zover opgewarmd dat ze verder kunnen rijden. Het lijkt wel alsof het minder is gaan sneeuwen, het rijden gaat een stuk makkelijker.

‘Nou ja’ , zegt Elly, we komen hem straks wel tegen bij mijn ouders, je kan maar één kant op hier.’
Jan knikt. ‘Ik wil hem nog wel bedanken, hij heeft ons leven gered, we waren allebei in slaap gevallen. En die sneeuw, moet je kijken, zoveel sneeuw! Je ziet zelf de sporen van de truck niet eens meer!’
Ze kijken allebei naar de weg voor hen, er valt bijna geen sneeuw meer. De weg is niet bereden. Eigenlijk kan dat niet.
Even later zien ze de lichtjes van de boerderij, ze parkeren de auto en gaan snel naar binnen. Elly’s ouders zijn blij dat ze er zijn, ze hadden met spanning op ze gewacht, het had wel lang geduurd.

Op het erf staat alleen de auto van Jan en Elly. Verder niets. Zeker geen grote truck met grote banden en een zware motor. Zo iemand kennen de ouders van Elly niet. Zo’n auto hebben ze nooit gezien.

Jan en Elly kruipen bij de kachel met een kop dampende chocolademelk, het is gezellig. Al snel vervliegt de herinnering aan de man met de enorme truck die ze uit de sloot trok. Ze zullen het wel gedroomd hebben.

1 Ster2 Sterren3 Sterren4 Sterren5 Sterren (Geef je mening, klik op een ster)
Loading...




Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Zoeken
Beoordelingen
Gesponsorde links
Recente reacties
Meer gesponsorde links