Harry de Duif
Harry de Duif en de meneer met het kale hoofd.
Harry de duif kijkt eens voorzichtig in het rond. Hij zit hoog in een boom. Harry de duif is al een oude duif, hier en daar heeft hij al grijze veren.
Hij rekt zijn vleugels eens en vliegt zijn nest uit.
Vandaag gaat Harry naar het grote plein in de stad.
Meestal is daar wel wat eten te halen. De mensen gooien soms van alles weg, en er zijn ook mensen die de duiven komen voeren. Harry heeft al lang geleden geleerd dat als hij zijn veren een beetje slordig door elkaar doet en hij een beetje zielig naar de mensen kijkt ze hem het meeste voer toe gooien.
Als hij na een stukje vliegen bij het plein is aangekomen is het al best druk. De andere duiven krioelen door elkaar heen om het voer op te pikken wat de mensen naar hen toe gooien.
Vandaag is er een nieuw karretje bijgekomen met een meneer die duivenvoer verkoopt. De meneer heeft een kaal hoofd, het hoofd glimt in de zon. Harry kijkt naar beneden, hij mikt en.. nee, hij doet het toch maar niet. Hij kan toch niet op het hoofd poepen van een meneer die duivenvoer verkoopt !
Dat is niet netjes !
Als Harry de duif iets glimmends ziet dan moet hij er even een duivenpoepje op los laten, dat vindt hij een leuk spelletje. Het kost hem ook veel moeite om het niet te doen.
Harry de duif stapt tussen de andere duiven door op het plein. Hij wil ook wel eens het voer proeven van de meneer met het kale hoofd. Zijn veren zitten extra slordig, en hij kijkt zo droevig als hij maar kan.
Opeens wordt hij bedolven onder het duivenvoer. Alsof het regent vallen de korrels over hem heen.
Harry de duif schrikt ervan. Hij kijkt op om te zien waar dat nu weer vandaan komt.
Een schattig meisje met twee staartjes gooit zo hard als ze kan het voer naar Harry toe.
“Kijk mama, wat een zielige duif”, zegt ze tegen haar moeder.
Harry pikt eens een paar korrels op. Dit voer kent hij al, het komt van het stalletje aan de andere kant van het plein.
“Nou ja”, denkt hij “dan eet ik morgen wel van het nieuwe voer. Dat meisje doet zo haar best”.
Harry pikt en pikt tot zijn buikje vol is, dan stapt hij weer weg.
De andere duiven roekoeën door elkaar heen, de één nog harder dan de ander. Harry hoort hoe ze elkaar vertellen dat het nieuwe voer het lekkerste is wat ze ooit geproefd hebben.
Harry de duif heeft nu wel een beetje spijt dat hij niet is doorgestapt maar in plaats daarvan het voer van het meisje heeft opgegeten.
En nu zit zijn buik zo vol, er kan geen korreltje meer bij !
Harry blijft nog een poosje op het plein tot hij geen zin meer heeft, dan slaat hij zijn vleugels uit en vliegt weg naar zijn nest. Een poosje zit hij lekker op zijn nest. Dan wordt hij een beetje onrustig. Er is iets aan de hand. Pas als hij nog even na denkt weet hij het.
Het is veel te stil. Anders komen er altijd duiven langs zijn nest vliegen voor een praatje, maar nu komt er niemand.
Daar snapt Harry niets van. Een beetje boos en een beetje verdrietig vliegt hij van zijn nest af.
Als ze opeens niet meer op bezoek willen komen dan gaat hij wel naar hen toe.
Even later vliegt hij boven het plein. Er is bijna geen duif te bekennen !
Verbaasd bekijkt Harry het plein uit de lucht. Als hij even later geland is vraagt hij aan een paar duiven of ze weten waar de andere duiven zijn.
Geen enkele duif weet iets, ze zijn allemaal pas net aangekomen. Ze hebben niet zoveel tijd om naar Harry te luisteren, ze hebben het allemaal veel te druk met eten. Vooral het nieuwe voer van dat stalletje van die meneer met het kale hoofd vinden ze erg lekker. Ze pikken om het hardst van het nieuwe voer.
Harry de duif snapt er niets meer van. Waar zijn al de duiven toch ? Zoekend vliegt hij in het rond.
Dan krijgt hij een idee. Zo snel als hij kan vliegt hij naar de oude kerk.
De oude kerk staat al heel lang leeg, er komen nooit meer mensen. Daarom kan je er vaak duiven vinden.
Als Harry vlak bij de kerk is dan hoort hij de duiven al.
Maar wat klinkt het raar ?! Het is allemaal zo zachtjes, meestal maken ze veel meer lawaai.
Harry schrikt als hij naar binnen hipt.
Overal zitten de duiven. Ze kijken allemaal heel treurig, ze hebben allemaal buikpijn. Harry hipt van de ene duif naar de andere, ze zijn allemaal even ziek. Ze geven haast geen antwoord als Harry vraagt wat er aan de hand is.
Wat moet hij nou doen ?
Opeens weet hij het. Hij vliegt de kerk uit, de stad in. Zoekend vliegt hij het ene rondje na het andere tot hij vindt wat hij zoekt. Een klein wit busje met rode letters.
Harry kijkt nog eens goed, mikt en flats, daar spettert de duivenpoep op de voorruit van het busje.
De twee meneren in het busje schrikken ervan. Ze zien de duif die hun ruit vies maakte op de stoep zitten.
“Die duif lijkt wel ziek”, zegt de meneer achter het stuur. “Die moesten we maar even meenemen”, zegt de andere meneer.
Hij stapt naar buiten en pakt een groot schepnet uit het busje. Heel voorzichtig loopt de meneer naar Harry toe. Opeens vliegt het net door de lucht en BAM…”Mis”, bromt de meneer.
Harry is net op tijd de lucht in gevlogen. Hij gaat een stukje verderop weer op de stoep zitten. De meneer komt er weer heel voorzichtig aanlopen en… weer mis, Harry vliegt weer net op tijd weg, als hij in de lucht is mikt hij snel een klodder duivenpoep op het hoofd van de meneer.
De meneer is nu boos. Hij is niet voorzichtig meer, nee, hij rent achter Harry aan. De andere meneer rijdt met het busje mee. Eigenlijk moet hij wel een beetje lachen, dat ze zo’n oude duif niet te pakken kunnen krijgen.
Zo gaat het een tijdje door, de twee meneren proberen steeds om Harry te vangen en het lukt maar niet.
“Het lijkt wel alsof die duif naar de oude kerk gaat”, zegt de meneer in de auto tegen de meneer met het net. Die knikt alleen maar met zijn hoofd, hij heeft het te druk met duiven vangen.
Bij de kerk gaat Harry naar binnen, de twee meneren gaan achter Harry aan, ze zullen die duif nu wel eens even vangen!
Als ze binnen komen valt hun mond open van verbazing. Overal zieke duiven. Duiven op de grond, duiven op de banken. En ze kijken allemaal heel erg ziek.
De meneer met het net pakt meteen zijn telefoon. “Hier met Hans van de Dierenambulance”, zegt hij, “er moeten snel nog meer Dierenambulances naar de oude kerk komen. Er zitten hier allemaal zieke duiven”.
En snel komen er nog meer busjes. Er komen allemaal mensen die al de duiven voorzichtig oppakken en naar de dierenarts brengen.
Eerst snapt de dierenarts en niets van. Allemaal duiven met dezelfde ziekte ! Maar even later weet hij wat er aan de hand is, de duiven hebben iets gegeten waar ze eerst heel ziek van worden en na een paar dagen gaan ze dood.
De dierenarts is er behoorlijk boos over. “Welk mens gaat er nu duiven vergiftigen ” moppert hij als hij in zijn medicijnkast zoekt naar een fles.
Nu krijgen alle duiven een prikje van de dierenarts. En de volgende morgen zijn alle duiven weer beter.
Als alle zieke duiven weg zijn vliegt Harry naar het plein. Hij moet de andere duiven waarschuwen. Wie geeft er nu voer waar duiven ziek van worden ? Harry heeft even nagedacht en nu weet hij het. Die meneer met dat kale hoofd en zijn lekkere voer. Dat kan niet anders. Voordat de meneer met het kale hoofd er was werd er geen duif ziek van het voer.
Harry scheert over het plein, vlak langs de meneer met het kale hoofd. Een grote klodder duivenpoep valt midden in het voer. “Raak”, denkt Harry trots. Alle duiven hebben gezien hoe die Harry in het lekkere voer poepte. Ze zijn allemaal heel erg boos. Hoe kan hij dat nou doen ? Wild fladderend staan ze om Harry heen die een stukje verder landde op het plein.
“DAT VOER IS GIFTIG”! Harry moet zijn best doen om boven al de herrie uit te komen. De duiven geloven er helemaal niets van. “Ga maar bij de dierenarts kijken”, zegt Harry, “je zal zien dat ik gelijk heb.”
Een paar duiven vliegen weg, de rest blijft dreigend om Harry heen staan. Totdat de duiven weer terug komen. “Harry heeft gelijk, er zijn heel veel duiven ziek !” Ze roepen het al van een afstand.
Nu eet er geen duif meer van het lekkere voer. Ze zijn allemaal heel erg boos. De ene duif na de andere poept op het stalletje en op het voer van de meneer met het kale hoofd. Die snapt er niets van. Eerst aten alle duiven van zijn voer en nu proberen ze hem allemaal onder te poepen ?
Het wordt steeds erger. De ene duif na de andere komt boos aanvliegen en mikt op de meneer met het kale hoofd.
Even later is de meneer helemaal wit van de duivenpoep. Er komen twee agenten aan, verbaasd kijken ze naar die meneer onder de duivenpoep. De ene agent krijgt medelijden. Hij jaagt met een stok de duiven weg.
“Komt u maar meneer, we brengen u wel even naar huis”.
“Nee, hoor, dat hoeft helemaal niet, ik ga wel zelf naar huis”, zegt de meneer met het kale hoofd.
Dat vinden de agenten maar raar, dat de meneer zo zenuwachtig doet als ze vriendelijk aanbieden om hem naar huis te brengen. De meneer met het kale hoofd loopt snel weg, hij duwt zijn karretje voor zich uit.
De agenten staan even samen te praten en lopen dan achter hem aan, hier willen ze meer van weten.
Hoe dichterbij de agenten komen, hoe harder de meneer met het kale hoofd gaat lopen. De agenten lopen gewoon met hem mee.
Ze brengen de meneer met het kale hoofd helemaal naar huis, helemaal naar binnen. De meneer met het kale hoofd wil dat niet, hij zegt tegen de agenten dat ze nu maar weg moeten gaan. Maar dat doen de agenten niet, ze gaan het huis in.
Verbaasd kijken ze om zich heen als ze binnen zijn. De kamer staat vol met allerlei flesjes. De agenten pakken een van de flesjes en lezen wat erop staat.
“Pas op. VERGIF”, staat erop.
Alle duiven zijn voorzichtig achter de agenten aangevlogen, ze zien hoe de meneer met het kale hoofd even later wordt meegenomen door de agenten. Naar de gevangenis. Want duiven vergiftigen is verboden.
Tevreden zit Harry de duif die avond op zijn nest. Die rare meneer met dat vergiftigde voer zit in de gevangenis en alle zieke duiven zijn morgen weer beter.
“Dat is weer goed afgelopen”, denkt hij nog voor hij in slaap valt.