Tuinslang en Snuffel.
Ergens, ver weg in een groot bos, werd een hondje geboren. Eigenlijk niet één hondje, maar wel vijf hondjes.
Allemaal lieve kleine puppies, door elkaar krioelend in de mand.
Er was er één bij met een hele lange staart. Echt heel erg lang. Daarom noemden zijn broertjes en zusjes hem al snel
‘Tuinslang’. Dat vond het hondje helemaal niet leuk, hij kon het toch ook niet helpen dat zijn staart zo lang was ?
Alle hondjes groeiden en groeiden, de staart van Tuinslang groeide het snelste, als hij liep sleepte zijn staart achter hem aan.
Op een dag kwam er iemand kijken, en hij nam een hondje mee, de hondjes waren nu zo groot geworden dat ze gezellig bij een baasje of vrouwtje gingen wonen. Al snel waren alle hondjes op weg naar hun nieuwe huis.
Alleen Tuinslang niet, de mensen moesten erg lachen als ze die lange, lange staart zagen. Nee, zo’n hond wilde niemand hebben. En Tuinslang bleef alleen achter, bij zijn mama.
Zo kwam het dat Tuinslang een beetje droevig door de tuin liep. Er liep een hondentraantje langs zijn hondenwangetje.
Iedereen lacht hem uit !
Opeens hoort Tuinslang een geluidje. Hij kijkt nog eens goed, daar zit een konijntje. Met zijn pootje vast in een struik.
Het konijntje kijkt heel bang. “Help,” snuffelt hij zachtjes.
Tuinslang kijkt eens goed en spert zijn bek wijd open. Hij bijt uit alle kracht.
Met een krakend geluid… splijt de tak in twee stukken, het konijntje rent ervandoor.
Want konijntjes zijn altijd bang voor honden.
Opeens bedenkt konijntje Snuffel dat deze hond met die lange staart helemaal niet eng deed, nee, hij heeft Snuffel losgemaakt.
Snuffel stopt met wegrennen en draait zich om. Langzaam gaat hij terug naar Tuinslang.
“Dankjewel,” snuffelt hij zacht, ” dankjewel voor het losmaken.”
“Graag gedaan hoor,” zegt Tuinslang, “ik ben blij dat ik je kon helpen.”
En zo staan ze een tijdje te praten. Even later rennen ze achter elkaar aan, ze dollen over het gras tot het donker wordt.
“Ik moet naar huis, tot morgen,” roept Snuffel als hij het bos inhuppelt.
De volgende dag komen ze elkaar al weer vroeg tegen. Ze gaan verstoppertje spelen, eerst mag Snuffel zich verstoppen.
Tuinslang zoekt en zoekt, hij kan Snuffel maar niet vinden.
Maar dan ziet hij twee oortjes, onder een struik. Dat zijn de oren van Snuffel.
Maar hij ziet ook nog iets anders. Iets heel gevaarlijks. Een rode schaduw, de schaduw van de oude Vos !
Tuinslang wil blaffen, maar zijn keel zit helemaal dicht van schrik. En wat kan hij tegen die grote vos doen ?
Als hij niet wegrent eet de vos hem ook op !
En nu wordt Tuinslang boos. Zo vreselijk boos.
Gaat die vos nu zijn vriendje Snuffel opeten ? Zijn enige vriendje ? De enige die hem niet heeft uitgelachen om zijn lange staart ?
Tuinslang maakt een hele rare wiebel met zijn lange staart van kwaadheid, voor dat hij zelf weet wat er gebeurt vliegt zijn staart door de lucht en kletst tegen de billen van de oude vos. Pets ! Heel hard. De vos schrikt verschrikkelijk, hij snapt er natuurlijk niets van, zomaar een tik op zijn vossekont !
De oude vos rent weg en is nooit meer terug gekomen.
Snuffel en Tuinslang werden dikke vrienden, Snuffel gaf Tuinslang een nieuwe naam : “ Zweepstaart.”
Omdat de lange staart hem gered had van de vos.
Zo is dat.