De Boom

De Boom

De wind kietelt de blaadjes van de boom. Zacht ruisen de bladeren langs elkaar heen als ze de wind erdoor laten.
Het is maar weinig wind, de boom heeft al vele stormen doorstaan, soms boog de wind de takken bijna tot aan de grond.
Maar dit kleine beetje wind vindt de boom wel prettig, het schudt het stof van de blaadjes.
Het is al een oude boom, een grote oude boom. Niemand weet precies hoe oud. Om het te weten zou je de boom moeten omzagen en de jaarringen tellen. Maar gelukkig hoeft dat niet. De boom is gezond en sterk, die hoeft niet te worden omgezaagd.

De boom staat in een weiland, daar waar de weg langs het weiland een bocht maakt.
Eerst, toen de boom nog een boompje was stond hij daar bijna helemaal alleen, met nog twee bomen vlakbij.
Soms kwamen er kinderen spelen in het gras. Dat vond de boom altijd leuk, als er kinderen kwamen spelen. Vanuit de hoogte genoot de boom van de drukte die de kinderen maakten. Al dat spelen maakte dat de boom nog meer groeide. Zo werd de boom nog hoger en had hij nog meer te zien vanuit de hoogte.
Als de kinderen verstoppertje speelde kon de boom zie hoe een kind zich helemaal in het gras had gerold, en hoe een ander kind aan het zoeken was. De boom had wel mee willen doen, willen roepen van :”PAS OP, daar zit ie, daar links in het gras”, maar dat kan natuurlijk niet, dat was nooit gebeurd.

De kinderen werden groter en kwamen niet meer om in het gras te spelen. Jaren lang stond de boom daar alleen met de twee andere bomen.
Vlak in de buurt werd een huis gebouwd. Een huis van donker rode baksteen.
De boom bekeek het allemaal met belangstelling. Toch knap van de mensen dat er zomaar een huis kwam op de plek waar eerst niets was, alleen maar gras.
Toen het huis af was duurde het niet lang voor er weer kinderen kwamen.
Bijna iedere dag speelden de kinderen bij de drie bomen. De boom bewoog al vroeg in de morgen met zijn takken in de wind, alsof hij de kinderen uitnodigde om te komen spelen.

Het waren mooie jaren voor de boom. Al dat kleine grut wat maar speelde in het gras en om de boom heen rende, de boom was al tijden niet zo hard gegroeid.
Maar ook deze kinderen werden groter en op een dag woonden ze ergens anders, het werd weer stiller om de boom.
De boom kon daar niet zo goed aan wennen, aan die stilte en de rust.
Soms fietsen er wel eens kinderen voorbij, en heel soms stopten ze wel eens aan de voet van de boom, maar dat gebeurde bijna nooit.

In de verte was van alles aan de hand. De mensen maakten er allemaal huizen. Huizen, huizen en nog meer huizen.
De boom zag hoe er ieder jaar meer huizen bij kwamen.

Stilletjes hoopte de boom dat er dan ook meer kinderen zouden komen.
Maar de boom stond veel te ver weg van de huizen, zover konden de kinderen niet van huis om te spelen.
Het bleef maar stil aan de voeten van de boom. Als je goed keek dan kon je ziet dat de takken van de boom naar beneden gingen hangen, het zag er een beetje treurig uit.
De boom hield altijd het weggetje in de gaten, het weggetje waar de auto’s langs rijden, vaak veel te hard, en waar ook de kinderen wel eens langs fietsen.

Op en dag zag de boom dat er nog veel meer huizen bijkwamen, de graafmachines scheurden het weiland open en de mensen gingen aan de gang met het maken van nog meer huizen.
De boom was wel onder de indruk van al dat graven. Hij voelde het tintelen van zijn wortels, stel je voor dat ze de grond opengraven, dwars door zijn wortels heen.
Er kwam een auto aanrijden op het weggetje, en de auto stopte in de bocht. Er kwamen geen kinderen uit, alleen maar grote mensen.
Ze liepen de hele dag heen en weer, ze keken door kleine buisjes die ze op gele stokjes neer hadden gezet, en daarna schreven ze allemaal dingen op papieren.
De boom was wel ongerust. hij zag hoe de mannen naar hem keken, één legde een touw om zijn stam en riep toen iets naar een andere man.

De boom had al eerder gezien dat er mannen met buisjes en gele stokjes rondliepen in de buurt, als die klaar waren met hun werk dan kwam op een dag de graafmachine en die maakte dan een gat in de grond waar een huis zou komen.
De boom werd heel ongerust. Stel je voor dat de mensen hier ook een huis gaan bouwen. Stel je voor dat de graafmachine hier ook de grond opengraaft. Dat zijn wortels kapot worden getrokken.
Dat hij helemaal wordt omgehakt omdat er geen plaats meer is !

De takken van de boom gaan nog meer naar beneden hangen. Hier en daar laten de blaadjes los en dwarrelen naar beneden, terwijl het nog lang geen herfst is.
De boom is treurig. Geen kinderen meer om van te genieten, alleen maar huizen, en misschien moet hij omgehakt worden.

Er komt weer een auto aanrijden, er komen weer mannen uit, nu gaan ze niet kijken door buisjes op gele stokken, nee, ze kijken naar de drie bomen. Vanuit de hoge kruin ziet de boom hoe er een paar mensen met elkaar praten,” die ene boom daar, die ziet er slecht uit, kijk maar, de bladeren vallen al, de takken hangen te veel naar beneden. Ik denk dat we die er maar meteen uit moeten laten halen.”
“Zullen we daar maar even mee wachten ?” vraagt een andere meneer. “Ik kan niet zien wat voor een ziekte die boom heeft, het is dat de blaadjes vallen, maar verder ziet het er allemaal wel aardig uit”.
De boom begrijpt er niet zoveel van, hij is ongerust als de mannen weer weg zijn.
Wat gaat er toch gebeuren ?

Niet lang daarna komen de graafmachines. Grommend graven ze gaten in de grond, de boom wacht met spanning af wat er gaat gebeuren.
Ze komen helemaal niet zo dichtbij, eigenlijk valt het wel mee. Ook als de mensen allemaal grote palen in de grond slaan is het wel uit te houden. De grond davert wel als de grote hijskraan met een soort hamer de palen naar beneden slaat, meer voorlopig laten ze de boom met rust. Af en toe graven ze door een klein worteltje, en één keer hebben ze een paal dwars door een grote wortel geslagen, maar verder gebeurt er niet zo veel.

De boom vindt het wel gezellig al die drukte daar beneden.
En sinds de graafmachine er is begonnen met graven komen er ook steeds meer kinderen kijken. Er staat een hek om het hele bouwterrein heen, maar daar trekken de kinderen zich niets van aan. Ze kruipen er gewoon onderdoor en gaan spelen op de plek waar de mensen werken. Natuurlijk doen de kinderen dat alleen maar als de werkers naar huis zijn.
Zo gaat dat de hele winter door. Als de mensen niet aan het werk zijn dan komen de kinderen. Ze blijven nooit zo lang, maar er komen er wel veel. En ze komen vaak.

De boom is nu al zijn blaadjes kwijt, zo gaat dat in de winter. Langzaam komt de lente. Met het mooie weer komen er steeds meer kinderen even langs het weggetje rijden.
Steeds vaker hoort de boom dat ze praten over “de nieuwe school”.
De boom weet niet wat dat betekent, maar dat geeft niet. Als de kinderen maar komen.

Nog nooit heeft de boom er zo mooi bijgestaan, trots komen de nieuwe, felgroene blaadjes te voorschijn. De takken van de boom rijken omhoog, alsof de boom stilletjes staat te juichen.
En de kinderen blijven maar komen, steeds weer komen ze kijken.

Dan komt er weer die auto aanrijden met de mannen die over hem stonden te praten, vorige zomer. De mannen die er over dachten om de boom om te zagen.
Maar nu kijken ze nu niet zo ernstig, ze kijken zelfs vrolijk.
“Moet je toch eens kijken hoe mooi die boom erbij staat, dat was vorig jaar toch wel anders. Het is maar goed dat we even gewacht hebben. Nu hoeft die boom niet om. ”
De boom hoort aan hun stemmen dat de mannen opgelucht zijn.

Eentje komt er naar de boom toegelopen en klopt op zijn bast.
Wat hij zegt begrijpt de boom niet.
“Zo boom, we zullen eens een mooi schoolplein laten aanleggen, dan kan je de kinderen schaduw geven in de zomer.”

Dan rijden de mannen weer weg.

En de boom blijft staan, stilletjes wachtend op de kinderen.

Want die komen straks vast wel weer.

1 Ster2 Sterren3 Sterren4 Sterren5 Sterren (2 Beoordeling, gemiddeld: 1,50 van 5)
Loading...


4 reacties op De Boom

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Zoeken
Beoordelingen
Gesponsorde links
Recente reacties
Meer gesponsorde links