Het Huisje

Het huisje.

Wat een droom ! In zorgvuldig gekozen kleuren springen ze bijna de folder uit.

Het water loopt in hun mond als ze blad na blad bekijken, Jan-Jaap en Michaëla zien het helemaal zitten. Een tweede huisje. Een oord om te onthaasten. Weg van de drukte die het leven oplegt.

Jan-Jaap heeft een eigen zaak. Dag en nacht is hij in touw, en, zoals dat meestal gaat, Michaëla ook.

In het begin was het noodzakelijk, wilde het bedrijf overleven. Maar naarmate de zaken beter gingen lopen werd het leven er niet rustiger op. De gewenning aan het jachtige leven sloop ongemerkt naar binnen. Eerst hadden ze het niet zo door, dat de drukte zijn tol eist.  Af en toe had Jan-Jaap een huilbui. Of hij zat uit het raam te kijken. Niets bijzonders eigenlijk. Pas toen Jan-Jaap op een morgen zijn bed niet meer uit wilde ging Michaëla zich zorgen maken.

De ontboden huisarts schreef rust voor. Hij wist zelfs wat Jan-Jaap mankeerde, hij had er een mooi Engels woord voor :” Burnout.” Even dacht Jan-Jaap dat de geneesheer het over een computer had, hij was al bang dat hij een nieuwe moest kopen, maar gelukkig bleek dat het om hemzelf ging.

Al die onbetaalde overuren, al dat file rijden, de vele zorgen; Jan-Jaap was overspannen. Het werd tijd om de roofbouw op zijn leven een halt toe te roepen. Anders zouden de gevolgen nog wel eens veel ernstiger kunnen zijn.

Jan-Jaap en Michaëla luisterden naar de wijze woorden van de arts. Zij namen veel rust, en deden de dingen waar zij nooit aan toe waren gekomen. Een boek lezen, of eens naar een museum.

En drie weken op vakantie.

Toen ze terug kwamen was de zaak nog gewoon in bedrijf. Op zich was dat wel prettig, maar toen bleek pas echt dat Jan-Jaap en Michaëla niet onmisbaar waren.

Jan-Jaap sloot zich op in de badkamer en huilde drie dagen achter elkaar.

 

Het werd tijd voor een krachtig tegenoffensief, Michaëla belde de huisarts, maar ook hij mocht de kamer niet in. Een kwartier stond de arts op de gesloten deur te kloppen, daarna gaf hij het, bij gebrek aan reactie, op, tenslotte staat er voor een huisbezoek toch wel tien minuten.

Michaëla wachtte rustig af. Zij kent haar echtgenoot, er komt een moment dat hij wil eten.

Toen hij zich eindelijk liet zien, en een beetje verlegen de gang op keek, lokte ze hem naar de keuken. Het eten stond al klaar.

Jan-Jaap at met smaak.

Op precies het juiste moment kwam de folder te voorschijn. Veel plaatjes, met rustgevende groene heuvels en prachtige blauwe luchten.

En goedkoop !

Daar in Frankrijk koop je een huis en een lap grond voor bijna niets, daar krijg je in de stad nog niet eens een garage voor.

Op bladzijde 25 staat een huis waar ze beiden spontaan verliefd op worden. Gelegen tegen een heuvel, met vijf hectare weidegrond. En voor het huisje langs stroomt een liefelijk beekje.

Het bruggetje steelt Michaëla’s hart, het is precies zo’n bruggetje als waar ze soms van droomt. En nu staat het zomaar in een folder.
Opgewonden lezen ze elkaar voor. ” Eenzaam gelegen aan een zandweg in het Noord Franse Verdun.”

“Voorzien van een aggregaat voor de stroom.”

“Aansluiting op het waternet mogelijk.”

De oermens ontwaakt in hen beiden.

Terug naar de natuur. Geen stroom. Geen water.

Geen zorgen.

Ze kijken elkaar aan. “Zullen we gaan kijken ?” Michaëla’s stem is schor van spanning.

“Laten we het vast kopen, straks is een ander er mee vandoor,” zegt Jan-Jaap, en hij pakt de telefoon om de makelaar te bellen. Na een kort gesprek is alles geregeld, ze moeten de volgende morgen even langs komen voor een handtekening, het kantoor verzorgd alle kontakten met het Franse filiaal. Ook het betalen van de koopsom is geen enkel probleem.

Zo komt het dat ze een weekje later op stap gaan om hun nieuwe bezit te gaan bekijken. Hun mobiele telefoons laten ze thuis. Ze zijn nu eens lekker onbereikbaar. Het is een eind rijden. Eerst naar de grote Franse stad, om de makelaar te bezoeken. Daar ligt de sleutel.

De makelaar is een vriendelijk en voorkomend mens.

Hij spreekt zelfs Engels, biedt hen beiden een kopje koffie aan en stelt na het nuttigen van het zwarte vocht voor om hen de weg te wijzen. Het schijnt niet eenvoudig te zijn om het pas in hun bezit zijnde droomhuis te vinden.

Ze gaan achter de makelaar aan naar buiten, “volgt u mij maar,” zegt hij in zijn beste Engels om dan een beetje ongemakkelijk om zich heen te kijken.

Dan volgt een tweede vraag. “Waar is uw auto ?”

Jan-Jaap klopt licht geïrriteerd op het dak van hun auto.

“Oh, u heeft geen fourwheeldrive ? Nou ja, het is aardig droog de laatste tijd, het zal nu best wel gaan. ”

Niet lang daarna volgt hun sedan de vierwiel aangedreven auto van de makelaar.

“Wat een patser, met die idiote auto,” denkt Jan-Jaap als ze de stad uitrijden.

Een paar kilometer later slaat de makelaar opeens rechtsaf, en rijdt zomaar het weiland in. Jan-Jaap remt uit alle macht, er innig van overtuigd dat de makelaar zich vergist. Maar na twee keer kijken ontwaren ze een karrespoor, overgroeid met gras en onkruid.

Met tegenzin laat Jan-Jaap de wagen het weiland in zakken, heel langzaam volgt hij de makelaar, die al om de hoek is verdwenen. Op aandringen van Michaëla verhoogt hij het tempo, de auto schudt en bonkt zich een weg door het hoge gras.

Maar gelukkig is aan het einde van het weiland een weg te zien, daar staat auto van de makelaar te wachten. Zodra ze de weg opkomen stuift de makelaar er vandoor, Jan-Jaap volgt en merkt dat de weg er in de verte veel beter uitziet dan hij in werkelijkheid is, het enige voordeel van de weg is dat je de kuilen kan zien, voor je er door moet, want het is een smal weggetje, diep uitgesleten, er wordt zeker veel gebruik van gemaakt.

Na een tijd zwoegen zien ze de auto van de makelaar weer staan. Voor een vervallen bruggetje. Een hectare of vijf met weidegrond, met manshoog onkruid, distels in elke variëteit die maar bekend is, ergens tussen de begroeiing schemert een dak, hier en daar missen wat dakpannen. Maar binnen is het toch al nat, de ramen zijn uit hun sponningen gevallen, de deur staat half open.

En achter de heuvel, die in de folder zo liefelijk oprijst achter hun droomhuisje, braken vier zwarte schoorstenen gebroederlijk een vaalgele rook uit.

Jan-Jaap en Michaëla zijn er stil van. De makelaar, in het bezit van een zesde zintuig wat in zijn vak onontbeerlijk is, voelt de situatie feilloos aan, met een vriendelijke lach drukt hij de sleutel in Jan-Jaap’s hand en is in een oogwenk verdwenen, ruim voordat ze tot zichzelf kunnen komen.

Met open mond staan ze te kijken, Michaëla durft als eerste de stilte te verbreken. “Is toch anders, hè, zo’n folder ?”

Jan-Jaap knikt. Zijn keel is dichtgesnoerd door een zwaar gevoel van diepe teleurstelling. Maar hier is geen badkamer om zich in op te sluiten, hij vermant zich op indrukwekkende wijze en baant zich een weg door het onkruid.

Naar de schuur. Jan-Jaap is niet dom, in de schuur is vast wel wat gereedschap om het vele overwoekerende groen te lijf te gaan.

Michaëla blijft ontredderd aan de weg staan en kijkt haar man na, tot hij opgeslokt wordt door het onkruid.

Al snel hakt Jan-Jaap zich een weg terug naar zijn vrouw, hij heeft een enorm kapmes opgescharreld. Met lange halen slaat hij zich een pad door het woud tot hij bij het bruggetje aankomt

“Kijk,” zegt hij trots, “het eerste pad is er al.” Zonder op antwoord te wachten kwakt hij met één haal zes distelstruiken tegelijk tegen de grond, hij is nu op weg naar de voordeur van hun nieuwe huisje.

Langzamerhand krijgt hij de slag te pakken, met gestage snelheid vindt het pad zijn weg. Bij de voordeur aangekomen draait hij zich hijgend om, Michaëla slikt en stapt met kleine pasjes naar haar man toe.

Samen bekijken ze de woning. Binnen is de toestand nog erger dan buiten, de vloeren kraken en zitten vol gaten, door het dak valt het licht van buiten. Alles ziet er grijs uit en het ruikt naar verrotting.

Net als Jan-Jaap adem haalt, om voor te stellen dat ze maar weer naar huis moeten gaan, knettert de donder over het land. Voor ze van de schrik bekomen zijn valt het water uit de lucht over het land, bijna direct regent het ook in het huisje.

Alleen achter in de keuken is een plekje waar het dak nog een beetje heel is. Jan-Jaap en Michaëla weten dat dit soort buien niet zo lang duurt, als het straks droog is dan gaan ze direct naar huis. En naar de advocaat. Ze zijn opgelicht. Dit is geen huis. Dit is een krot !

Na een uur of twee neemt de regen af, een kwartier later is het droog. Voorzichtig wagen ze zich buiten.

Jan-Jaap ziet het als eerste. Als hij verschrikt stil blijft staan ziet Michaëla het ook. De zandweg, waar ze hun auto parkeerden, is veranderd in een woeste beek. Wild spoelt het water om de auto heen, Jan-Jaap ziet met pijn in zijn hart hoe een meegesleept stuk hout met een klap tegen het achterlicht aan slaat.

En Michaëla wijst, niet in staat om iets te zeggen.

Het beekje, waar het bruggetje zich over uitstrekt, staat ook vol water. Maar niet met water van de weg. Nee, het heeft geen relatie met elkaar. Het water in de beek is rood van kleur. Net zo rood als de rook uit de schoorstenen, ziet Jan-Jaap als hij zich omdraait.

Na een paar uur zakt het water weer, tegen de tijd dat de schemering begint in te zetten kunnen ze naar hun auto toe. Huiverend lopen ze door de modder.

De auto staat vol met water, als Jan-Jaap het portier opent spoelt het over zijn schoenen.

Met afgrijzen gaat hij zitten in de doornatte stoel, Michaëla komt rillend naast hem zitten.

“Snel weg hier, ik wil naar huis.” Michaëla heeft er genoeg van.

Jan-Jaap draait de sleutel om.

Het blijft stil. Ook als Jan-Jaap eerst nog een paar keer de sleutel draait. Zelfs een aantal verwensingen en machteloze klappen op het dashboard helpen niet.

De accu blijft leeg.

“Wat moeten we dan ?” vraagt Michaëla angstig.

Ze kijkt Jan-Jaap aan en de waarheid dringt tot haar door.

“Moeten we lòpen ?!”

1 Ster2 Sterren3 Sterren4 Sterren5 Sterren (Geef je mening, klik op een ster)
Loading...


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Zoeken
Beoordelingen
Gesponsorde links
Recente reacties
Meer gesponsorde links