Het Vlot

Het Vlot

De hemel is donker. Sterren zijn maar af en toe zichtbaar als de gaten in de wolken het toelaten, de maan is er helemaal niet. De duisternis wordt af en toe onderbroken door de verlichting van een dorpje. Dan is het weer donker.
Ergens, midden in het zwarte landschap, licht even een donkergroen licht op. Heel even maar. Dan is het weer weg.
In de verlichte straten van het dorp hebben ze van het duister geen last, vrolijk fietst het gezelschap verder, op weg naar huis.
Drie meisjes en twee jongens. Ze komen van een feestje. En nu brengen de jongens de meisjes netjes naar huis. Zo gaat dat in het dorp.
Het was een leuk feest, een examenfeest, in de tuin. De lome warmte van de dag is blijven hangen tot in de nacht, iedereen heeft te veel gedronken. Al de reeds gedronken drank maakt het groepje tot een vrolijk en lawaaiig gezelschap.
De twee jongens, Fred en Guido, fietsen met grote snelheid slingerend over de weg, ieder probeert zo veel mogelijk indruk te maken op de meisjes.
Ellen, Barbara en Noesjka rijden naast elkaar en giechelen net iets te hard als Fred in een heg dreigt te belanden, op meesterlijke wijze weet hij zijn verloren evenwicht op het laatste moment terug te vinden en scheert rakelings langs de bladeren.
Ellen woont het dichtste bij, zij staat het eerst op de nominatie om naar huis gebracht te worden.
Maar ze heeft er helemaal geen zin in. Ze wil niet naar huis. De warmte van de nacht en de drank hebben haar opgewonden. Ze wil niet slapen.
Het vijftal slaat een donkere weg in, nu is de weg nog breed, maar een aantal kilometers verder splitst de weg zich vele malen naar de boerderijen die in het stille land staan, iedere splitsing lijkt de weg iets smaller te maken.
Nu ze het dorp verlaten hebben turen ze naar de weg, die schaars verlicht wordt door de vijf fietslampjes. Het wordt nu iets stiller, ze hebben hun aandacht nodig bij het rijden.
“He, jongens, kom ! We gaan even naar het water !”
Ellen slaat met zwaai linksaf, het pad in, naar het meertje. Het duurt even voor de andere vier achter haar aankomen, ze waren het pad al voorbij. Maar al snel volgen ze het kleine rode lichtje van Ellen’s fiets.
Ellen trapt flink door. Ze wil naar het water. Ze wil zwemmen. Ze wil naakt zwemmen. Misschien wil ze zelfs wel vrijen. En misschien ook nog wel meer. Met Guido. Een leuke jongen. Ze denkt nog even aan Fred en schudt dan ontkennend met haar hoofd. Nee, Guido moet het worden. Sneller en sneller hobbelt ze over het smalle pad.
De opwinding die Ellen in een opwelling af deed slaan komt nu bij de anderen ook naar boven. Ze gaan met een flinke gang achter elkaar aan.
Ellen komt als eerste aan bij de open plek aan de rand van het water. De sterren geven een apart licht, een beetje groen licht. Spontaan trekt ze haar bloes uit en staat haar achtervolgers zo op te wachten.
Het licht lijkt sterker te worden, maar het valt niemand op. Ze hebben alleen maar oog voor Ellen die, nu ze weet dat er vier paar ogen naar haar kijken, zich begint uit te kleden. Ze stript tot ze naakt is, aangemoedigd door de aansporingen van de twee jongens. Barbara begint nu ook aan haar kleding te frommelen, en Noesjka volgt haar voorbeeld. Fred en Guido kijken met grote ogen naar de meisjes, opeens doen ze wat de twee jongens zich enkel in hun dromen konden voorstellen.
Giechelend lopen de meisjes naar het water en beginnen elkaar nat te spatten. Hun jonge vormen zijn duidelijk zichtbaar in het groene licht.
Fred en Guido bedenken zich geen moment, als twee jonge honden springen ze haast uit hun kleren en rennen naar het water, achter de meisjes aan.
Het meertje is aan de randen niet diep, het water komt niet veel verder dan hun middel, maar dat komt hen wel goed uit.
De meisjes lopen door het water, zwemmen eens wat, duiken onder om dan plotsling weer naast één van de jongens boven te komen. Ze trekken even de aandacht en duiken dan weer onder, nog voor ze aangeraakt kunnen worden. De drie meisjes trekken eerst het meeste naar Guido toe, maar na verloop van tijd begint Noesjka meer en meer haar aandacht op Fred te richten.
Ze weet niet goed waarom ze hier is, waarom ze het doet. Het gaat als vanzelf, alsof ze ingefluisterd krijgt wat ze moet doen. Ze gaat weer staan en schudt met haar lichaam. “Oh Fredje,” zegt ze plagerig voor ze weer onder water verdwijnt. Het lijkt wel alsof ze zichzelf van een afstand gadeslaat, opgewonden door de dingen die ze tot nu toe nooit durfde te doen.
Ze zwemt door het donkere water, met haar ogen dicht.
Toch weet ze precies waar Fred staat, plagerig strijkt ze met haar borsten langs zijn billen, met een paar krachtige slagen is ze weer verdwenen, voor dat Fred haar te pakken krijgt.
Ellen en Barbara dwarrelen om Guido heen, tevergeefs probeert hij om ze te pakken te krijgen.
De beloften die hij in de ogen ziet van de twee meisjes doen hem op voorhand instemmen met alles wat ze hem voorstellen. Alles.
Zo dansen ze verder in het groene licht.
Midden op het meertje ligt een houten vlot. Zodra er zwemmers in het water zijn is er altijd wel iemand onderweg naar het vlot. En het water is diep bij het vlot. Een prima plaats om te duiken, je zal daar je hoofd niet stoten.
Er is nog nooit iemand geweest die de bodem heeft kunnen halen. Het schijnt dat er een soort bron zit, of een onderaardse rivier. Niemand weet het precies.
Het vlot is niet eens aan de bodem vast gemaakt, het zit met twee lange kabels vast aan palen die in de bodem van het meertje zijn geslagen, op de plaats waar het water nog ondiep is.
Maar het vlot drijft niet weg, het vlot ligt altijd op dezelfde plaats, hoewel de kabels een lengte hebben die een aantal meters heen en weer gaan op het water ruim toestaan.
De beheerder van het terrein heeft zich eerst wel verbaasd op zijn hoofd staan krabben toen het hem opviel, de vaste plek van het vlot. Maar veel tijd om erover na te denken heeft hij niet, naast het schoonhouden van het veld zwaait hij ook de scepter over het kleine ijskraam. Hij is ook nog de scheidsrechter bij eventuele onenigheden en is, vanwege de verbandtrommel die hij ergens onder de toonbank bewaart, ook nog het officieuze hoofd van de E.H.B.O. .
Door die bron, of wat het ook mag zijn, is er altijd water genoeg in het meertje. Of het nu weken droog is of weken regent, het water staat immer op dezelfde hoogte. Er is geen riviertje of een andere overloop om het regenwater weg te voeren. Het water verdampt kennelijk, niemand in de omgeving die zich daar iets over afvraagt. Het is altijd al zo geweest.
Het vlot drijft verlokkend op het kalme water, de golven en spetters die de vijf jonge mensen maken reiken lang niet ver genoeg om de stille rust te verstoren. Het dobbert daar, duidelijk zichtbaar in het vage groene licht.
Ellen duikt plotseling op uit het water, vlak voor Guido. Nu ze zo dichtbij is durft hij haar niet aan te raken. Opeens is het stil, iedereen kijkt naar Ellen.
“Oh Guido, ik wil dat je me…” Het laatste woord spreekt ze geluidloos maar duidelijk uit.
“Op het vlot. Daar wil ik het,” zegt ze voor ze naar het vlot begint te zwemmen.
De anderen hebben duidelijk kunnen horen wat Ellen net heeft gezegd. Barbara zwemt achter Ellen aan.
Noesjka kijkt Fred aan. “Ik wil het ook,” zegt ze voor ze achter de meisjes aan gaat.
De twee jongens weten even niet meer hoe ze het hebben. Dan zetten ze beiden in een rustig tempo de achtervolging in, om de meisjes de tijd te geven op het vlot te klimmen voordat zij er aankomen.
De drie meisjes zwemmen flink door en klimmen langs het trapje het water uit. Wulps lopen ze uitdagend heen en weer, moedigen de jongens aan om sneller te zwemmen.
De jongens versnellen hun slag, drie naakte meisjes die hen verlokkend roepen, scherp afgetekend in het helle groene licht, zijn redenen genoeg.
Fred begint te hijgen, hij slaat zijn armen en zijn benen steeds harder uit maar de afstand verminderd niet, lijkt het wel.
Guido is sterker, maar ook hij raakt buiten adem.
Even kijken ze elkaar aan, maar geen van beiden wil als eerste toegeven dat hij moe wordt.
Fred is al snel buiten adem, de paniek slaat door hem heen. “Guido, help me. Ik heb kramp. Ik kan niet meer zwemmen.” Zijn adem onderbreekt de zin die in horten en stoten uit zijn mond komt. Hij werpt een snelle blik op het gezicht van Guido.
Guido’s gezicht straalt angst uit. Heeft hij ook kramp ? Hij wil zich naar de meisjes toedraaien, ze moeten komen helpen. Hij voelt dat het water hem tegenhoudt. De paniek komt nu in grote golven zijn lijf instromen. Moeizaam lukt het hem om zijn hoofd te draaien in de richting van het vlot. Zijn ogen knipperen tegen het felle licht, de drie meisjes staan versteend te kijken. Ze lijken eindeloos ver weg te staan, toch ziet hij hen duidelijk.
Met al zijn kracht draait hij zich weer naar Guido toe. Beiden kunnen niet meer spreken van angst.
Beiden zwemmen ze al niet meer en toch blijft hun hoofd boven het water.
Dan komt er die sensatie, vanuit de diepte van het meer. Eerst haast onmerkbaar, kriebelend langs hun benen, om in een paar seconden om te slaan in een alles vernietigende pijn. Hun stemmen schreeuwen de angst uit tot stil wordt. Tot het groene licht langzaam dooft.
De drie meisjes staan ademloos en stil te kijken naar de om hulp schreeuwende jongens. Ze zien hoe ze schreeuwend onder water verdwijnen, het water dat een groen licht uitstraalt, het water dat met een diep grommend geluid zijn prooi verzwelgt.
De beheerder komt met een slaperig gezicht het terrein opgereden. Hij moppert in zichzelf als hij de vijf fietsen bij elkaar ziet liggen. “Hebben ze hier vannacht weer lopen donderjagen,” gromt hij, met de ervaring dat er dus weer meer rommel opgeruimd moet worden dan gewoonlijk.
Hij stapt uit zijn auto en loopt naar de ijskraam. Tot nu toe nog geen spoor van extra rommel. Routinematig gaat zijn blik over het water. Vol ongeloof blijft zijn hoofd stilstaan als hij ziet dat er iemand op het vlot zit. Nee, niet iemand, drie meisjes. Ze liggen in foetushouding op het vlot.
Als hij met zijn verrekijker kijkt ziet hij dat ze naakt zijn. Hij voelt nattigheid. Aan alle kanten,
Hij pakt zijn telefoon en kiest het alarmnummer.
De meisjes blijken nog te leven, maar weigeren om in een bootje te stappen. Ook de gealarmeerde huisarts krijgt hen er niet in. Alledrie krijsen ze hysterisch over een monster in het water. Een monster wat hen leeg wil zuigen. Er komt nog een arts op het vlot, het wordt een beetje vol. De twee doktoren verdoven de meisjes met een injectie. Daarna gaan ze in het bootje naar de wal.
De politie zoekt routinematig het terrein af, drie gevonden meisjes en vijf fietsen zou op een probleem kunnen duiden. Tussen het riet aan de overkant vinden ze een lichaam. En even later nog één.
Het rapport van de lijkschouwing geeft als doodsoorzaak : “vermoedelijke hartstilstand.”
De lijkschouwer kon geen verwondingen vaststellen bij de beide jongens. Toch waren ze allebei leeggezogen. Hun vel hangt los om hun beenderen. Geen organen meer, geen spieren, geen bloed. Vol ongeloof kijkt de lijkschouwer naar de leegte onder de slappe huid als hij een incisie maakt.
Leeggezogen, het kan niet anders.
Maar dat durft de lijkschouwer niet op te schrijven.
Dat zou zijn carrière kunnen schaden.
1 Ster2 Sterren3 Sterren4 Sterren5 Sterren (1 Beoordeling, gemiddeld: 3,00 van 5)
Loading...

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Zoeken
Beoordelingen
Gesponsorde links
Recente reacties
Meer gesponsorde links