Mijn buurman
“Soms maak ik mij wel eens zorgen,” zegt mijn buurman en hij krabt met zijn linkerhand aan zijn baard. Omzichtig kijk ik om me heen. Als mijn buurman aan zijn baard krabt dan heeft hij een hoop te vertellen, dat weet ik uit ervaring.
Ik ben in de tuin bezig, een beetje onkruid wieden. Af en toe is dat nodig. Mijn buurman hangt over het hek wat onze tuinen scheidt en kijkt mistroostig naar mij.
Ik heb vastgesteld dat ik niet weg kan, ik kan niet doen alsof ik hem niet gehoord heb. Er is geen duidelijke reden voorhanden om spoorslags weg te lopen. Nee, ik zal moeten luisteren naar de redenen van de zorgen van mijn buurman.
Ik til mijn hoofd op en kijk hem aan.
De beweging is al voldoende. Ik hoef niet eens vragend te kijken. Hij haalt adem.
“Ja, soms maak ik me wel eens zorgen. Hoe moet dat nu verder in Nederland ? Het lijkt wel alsof we in de middeleeuwen leven. De mensen denken wel dat we ‘modern’ en ‘vrij’ zijn, maar ik geloof er niets van. Vroeger leefden de mensen in een feodaal systeem, toch ? Er waren landheren en pachters.
De pachters betaalden de landheren voor het mogen gebruiken van de grond. En de landheren hadden een legertje soldaten om de veiligheid te garanderen. De pachters moesten met regelmaat diensten verrichten voor de landheren.
De landheren zorgden ervoor dat alles goed ging, in de eerste plaats met zichzelf. En als de pachters braaf waren geweest dan mochten ze naar de jaarmarkt.”
Ik ben verbaasd over de hoeveelheid woorden die mijn buurman in één ademtocht weet uit te brengen. Zijn borstkas zwelt weer.
“Nou, het is nog steeds niet veranderd. Iedereen betaalt belasting aan de regering om hier te mogen wonen. Iedereen betaald nog meer belasting om de diensten van de regering voor de burger te kunnen betalen, de ziekenhuizen en het leger en zo. En als de burgers weer een jaar door komen zonder revolutie te maken dan mogen ze naar het voetbal kijken op de televisie, of naar de Olympische Spelen.
Dat is toch net zo als vroeger ? Of niet ?”
Ik moet deze redenatie even tot mij door laten dringen, het klopt eigenlijk wel. En het klopt ook weer niet.
Ik ben even van mijn stuk gebracht.
Mijn buurman wacht op antwoord.
“Nou, ik denk. Ik denk dat we toch in een democratie leven. Ik bedoel, we hebben toch stemrecht en zo ?”
Het is niet echt een tegenargument, maar iets beters kan ik niet bedenken in de tijd dat mijn buurman mij vorsend aankijkt.
Mijn buurman uit een schamper lachje. “Democratie ? Hier ?
Geloof je dat zelf ?”
Ik weet het eigenlijk niet, wat ik nu precies geloof. Het interesseert me niet zo. Ik ga braaf stemmen, maar verder, ja, ik geloof het allemaal wel. Ik vind het al heel wat dat ik ga stemmen, een heleboel mensen gaan al niet eens meer naar de stembus als het er tijd voor is.
Maar dat gaat me te ver. Zolang er mensen zijn in de wereld die in de cel zitten omdat ze stemrecht eisen vind ik dat je gebruik moet maken van je stemrecht.
Ik knik bevestigend. “Ja, we leven hier in een democratie.”
Nog een schamper lachje.
Nu weet ik zeker dat ik nog lang niet klaar ben met luisteren.
“De schijndemocratie van deze bananenrepubliek ? Bedoel je dat ? Door de media geregisseerd en vertoond op de tv ?
Hebben we over hetzelfde zielige aftreksel van wat ooit bedoeld was als ‘het volk regeert’ ?”
Zonder op antwoord te wachten gaat mijn buurman verder met zijn betoog, hij raakt een beetje opgewonden, zijn stem schalt door de buurt.
“Alle macht in dit land ligt maar bij een paar mensen. Alleen wil niemand dat inzien. Omdat ze er wel voor zorgen dat de schijn perfect wordt opgehouden. Als je niet heel goed oplet dat zou je het ook niet opmerken. Maar mij pakken ze niet!
Ik kijk er dwars doorheen, door die zielige poppenkast.
Die lieden in het parlement zijn gekozen, dat klopt.
Maar wie heeft ze op de lijst gezet ? Wie bepaalt de volgorde van deelname ? Wie bepaalt wat ze zeggen en wanneer ?
Hoe komt het dat er regelmatig mensen de politiek uit moeten ? Hebben die mensen misschien een eigen mening ? En, nog erger, hebben ze die mening ook verkondigd ?
Het is gewoon een dictatuur. En niets anders !”
Even is het stil, ook mijn buurman moet af en toe adem halen.
“Een dictatuur van een aantal heren die zich in mist en nevel hullen, onzichtbaar voor alles en iedereen. Maar dit is een gevaarlijk stelletje, ze hebben alles in de hand. Justitie, de politiek, de sociale partners, drugshandel. Het is één groot komplot. Om ervoor te zorgen dat zij hun zakken kunnen vullen ten koste van de gewone man. Die wordt nog net zo uitgeknepen als in de middeleeuwen. Alleen hebben ze ervoor gezorgd dat er genoeg te eten is, en genoeg vertier op de beeldbuis. En als je de mensen maar voorhoudt dat het vroeger slechter was, dat het nu goed gaat, dan geloven ze het op den duur allemaal. Brood en spelen. Er is niets, maar dan ook helemaal niets veranderd.
En ze hebben alle databases aan elkaar geknoopt. Niks privacy. Als je teveel olijfolie en eieren koopt met je airmileskaartje dan weet de verzekeringsmaatschappij het al voor je je eitje aan het bakken bent. En die werkt je met zachte hand de polis uit, er moet wel genoeg verdiend worden natuurlijk.”
Een flinke dosis paranoia is mijn buurman niet vreemd, dat was mij al lange tijd duidelijk. Maar om nu overal een komplot in te zien tegen de mensheid gaat mij toch wel te ver.
En dat zeg ik dan ook,” nou buurman, dat lijkt me wat ver gaan allemaal. We hebben toch de trias politica, scheiding van wetgevende, uitvoerende en controlerende macht ? Niemand kan toch de hele boel manipuleren ? Ik bedoel, er is toch een wet op de bescherming van de privacy ? En dan de vrije pers, als dit allemaal zo zou zijn, dan zit de pers daar toch bovenop ?
Dan was het toch allemaal al lang bekend ?”
Hoofdschuddend kijkt mijn buurman mij met een innig medelijden aan. Ik wist niet dat ik zo dom was.
“En wie is de eigenaar van de vrije pers ? Uiteindelijk maar één of twee bedrijven. En wie zijn de eigenaar van die bedrijven ? Mannen in streepjespakken die in geblindeerde auto’s rijden. Die laten zich niet zien, die blijven onzichtbaar. Het vuile werk laten ze opknappen door de politici en de journalisten. Ze hebben iedereen in hun zak.
De enige reden dat ze de wereld niet echt ten onder helpen is dat ze er zelf ook op leven. Maar als dat anders zou zijn, als die machtswellustige griezels zonder de wereld zouden kunnen dan was de hele aardbol er al lang niet meer geweest!”
Mijn buurman verliest nu echt het kontakt met de realiteit. Wat moet ik hier nu op antwoorden ?
Gelukkig gaat de telefoon, niet die van hem, want die neemt hij nooit op als hij aan het orakelen is, maar het is mijn bel die de aandacht trekt.
Met een knik naar mijn huis blaas ik de aftocht. “Ik verwacht een belangrijk telefoontje, ik neem even op. Ik spreek je nog.”
Ik onderdruk de aandrang om weg te rennen en loop in een normaal tempo naar binnen.
Het is een vriendelijke dame van een verzekeringsmaatschappij. Met belangstelling informeert ze of ik al voorzien ben van een doorlopende reisverzekering. Dat is handig als je, bijvoorbeeld, onverwacht op een vliegvakantie gaat of zo.
Na een plezierig gesprek heb ik de verzekering afgesloten. Vanmorgen heb ik net een last minute vlucht naar de zon geboekt. Al die regen, ik had er genoeg van.
Pas als ik de hoorn neerleg vraag ik me af of het toeval is dat ze net na het boeken van mijn reis belt.
Het is toeval. Dat kan niet anders. En toch blijf ik er de rest van de dag over nadenken.